Op eigen benen

Door Saskia Bultman

Tienermeisjes die zich hadden overgegeven aan wat werd gezien als seksueel wangedrag konden terechtkomen in het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes. Hier werden zij vanaf 1905 omgevormd tot hardwerkende dienstbodes en toekomstige huismoeders. Tijdens hun verblijf werd de pupillen ingeprent dat zij zich dienden te conformeren aan de idealen van hun heropvoeders. Hoe keken de meisjes hier zelf eigenlijk tegenaan?

figuur%201“Ik mag hier niets, niet roken, niets alleen maar slapen, eten, en zakdoekjes zomen. Afschuwelijk.” Dit schreef gestichtspupil Jeltje B. in 1968 in een brief vanuit het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes. In de literatuur is veel aandacht besteed aan het verzet van gestichtspupillen tegen het gezag van het gesticht waarin zij opgesloten waren, of dit verzet nu actief was, of passief, zoals in bovenstaande, door het instituut onderschepte brief. Onderzoekers hebben zich gericht op het blootleggen van sporen van rebellie en verzet in heropvoedingsgestichten, om te laten zien dat pupillen zich gedurende hun verblijf niet zomaar

figuur%202
De beoogde transformatie van het meisje, Het Utrechts Archief

lieten disciplineren, maar een zekere agency vertoonden. In het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes keken niet alle pupillen echter negatief tegen hun heropvoeding aan. Sommige pupillen bouwden een band op met hun heropvoeders en onderhielden ook na ontslag contact. Dit artikel bekijkt de sporen van het contact van de oud-pupillen met het Rijksopvoedingsgesticht die in het archief van het heropvoedingsinstituut zijn achtergelaten – brieven, foto’s en notities van hun bezoeken – om meer te weten te komen over de verhouding tussen oud-pupil en gesticht.

 


Brieven en zelfportretten

Sommige pupillen schreven na ontslag liefdevolle brieven aan de directrice. Hendrikje K. bedankte haar “voor alle zorgen”, en Johanna G., die na ontslag in dienst was gegaan bij een bakker, schreef een paar maanden na haar ontslag in 1919 dat ze verlangde naar “het huis waar ik zooveel liefde en zorg heb ondervonden.” In sommige gevallen werd de briefwisseling jarenlang volgehouden. Zo zond Annigje H. zeven jaar nadat zij was ontslagen nog een nieuwjaarsgroet naar de directrice.

figuur%203-2
De huwelijksaankondiging van Harmina J., Het Utrechts Archief

Naast brieven stuurden de oud-pupillen ook verlovingsaankondigingen, trouw-aankondigingen en foto’s van zichzelf aan de directrice. De brieven en foto’s gestuurd door Harmina J. geven een beeld van hoe haar leven na haar ontslag verliep: haar dossier bevat een huwelijks-aankondiging, een foto van Harmina met echtgenoot en jong kind, en, uit 1946, zestien jaar na haar ontslag, een foto van Harmina met haar drie kinderen. Andere meisjes, zoals Sjoukje H., stuurden foto’s van zichzelf als dienstbode.

 

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om de ‘echte’ kijk van de pupillen op het gesticht en hun heropvoeding te achterhalen. De sporen van het contact tussen de oud-pupillen en de directrice lijken te suggereren dat een aantal van hen een warme band met haar opbouwde. Ze waren oprecht dankbaar voor hun heropvoeding en wilden de directrice graag op de hoogte houden van ontwikkelingen in hun leven. Ook lieten de oud-pupillen met hun foto’s zien dat ze maatschappelijk gezien waren geslaagd. Hun foto’s bewezen dat zij het beoogde ideaal van getrouwde huismoeder met echtgenoot en kinderen hadden bereikt, of dat zij zelfstandig als dienstbode in het leven stonden.

Het is mogelijk dat de jonge vrouwen gelukkig waren met hun nieuwe leven, en dit wilden delen met de directrice, die hen op weg had geholpen. Echter, er lijkt in sommige gevallen ook een zekere opstandigheid van hun brieven en foto’s uit te gaan: de correspondentie tussen oud-pupil en directrice was niet altijd hartelijk. In 1919 weigerde de directrice om een aanbevelingsbrief te schrijven voor oud-pupil Neeltje D., die had gesolliciteerd als verpleegster, met als reden dat zij “veel te zenuwachtig” was om dergelijk werk te kunnen doen. Neeltje schreef terug dat ze “bedankte” voor verdere brieven en zei dat de weigering voortkwam uit niets anders dan “jalousie” van de directrice over hoe ver Neeltje het zonder haar hulp had gebracht. Als de directrice de pupillen het idee gaf dat zij van haar afhankelijk waren, wilden de oud-pupillen met hun foto’s wellicht bewijzen dat ze wél op eigen benen konden staan.

Sommige oud-pupillen lieten zichzelf van een andere kant zien. Geesje T. stuurde in 1938, een half jaar na haar ontslag, bijvoorbeeld een close-up portretfoto van zichzelf. De jonge vrouw op de foto is keurig opgemaakt, modieus en tot in de puntjes verzorgd. Ze heeft een lach op haar gezicht en een finger-wavekapsel, waardoor ze de uitstraling van een model of actrice heeft. Geesje definieerde zich niet aan de hand van haar beroep, noch als echtgenote of moeder, maar portretteerde zich als zelfverzekerde, vrolijke en zelfstandige jonge vrouw. Wellicht kunnen we dit zien als een vorm van rebellie van de oud-pupil: het glamourachtige karakter van de foto stond in contrast met het brave bestaan dat het instituut voor zijn pupillen had uitgestippeld.

Oud-pupillen op bezoek

figuur%204
Het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes, Het Utrechts Archief

Sommige oud-pupillen kwamen ook nog regelmatig op bezoek in het gesticht. Het bezoek van één van hen is vastgelegd in een fotoalbum met foto’s van het dagelijks leven in het gesticht tussen 1927 en 1938. Onder de foto, waarop de oud-pupil hurkend en lachend met een hond in de gestichtstuin voor de fotograaf poseert, staat geschreven: “Oud-verpleegden komen vaak hun vrije dagen in het gesticht doorbrengen.” Sommige oud-pupillen kwamen nog jaren na ontslag op bezoek. Geregeld namen zij hierbij hun verloofde of hun kinderen mee. De foto, en de frequentie van het bezoek, waarvan aantekening werd gemaakt in het gestichtsarchief, lijken aan te geven dat er sprake was van een warm contact.

Toch was de verhouding tussen de oud-pupil en de directrice nooit helemaal gelijkwaardig. De oud-pupillen wisten dit zelf ook. Twee jaar na haar ontslag schreef Roelofje P. een brief aan de directrice, waarin ze vertelde dat ze lang de behoefte had gevoeld om te schrijven, maar niet durfde, omdat haar “leven niet zoo is geweest, als het had moeten zijn”. Ze schreef verder dat ze sinds drie en een halve maand goed “oppaste” en hoopte te gaan trouwen. In 1924, negen jaar na ontslag, kwam zij in het gesticht op bezoek, samen met haar echtgenoot. In het aantekenboek, waarin de staf tussen 1915 en 1927 bijhield hoe de meisjes zich na ontslag ontwikkelden en notities maakte over de bezoeken van de oud-pupillen aan het gesticht, staat vermeld dat zij kantoren schoonmaakt en dat haar beide dochters waren overleden op drie- en vijfjarige leeftijd. Verder staat vermeld: “R. ziet er eenvoudig, netjes, gunstig uit.” Nog altijd werden de meisjes – inmiddels jonge vrouwen – beoordeeld en langs de meetlat van hun heropvoeders gelegd.

Een spanningsveld

Het blijft moeilijk om de verhouding tussen oud-pupil en gesticht te karakteriseren op basis van de brieven, foto’s en sporen van de bezoeken van de oud-pupillen. Het is mogelijk dat de jonge vrouwen oprecht dankbaar waren voor de zorg die zij hadden ontvangen, waardoor zij in staat waren iets ‘van hun leven te maken’. Ook is het denkbaar dat zij warme en liefdevolle gevoelens voor de directrice koesterden, die soms jarenlang voor hen had gezorgd. Tegelijkertijd stralen de bezoeken en de foto’s van sommige oud-pupillen een soort opstandigheid uit. Door op bezoek te komen en foto’s van hun ‘succesvolle’ leven op te sturen, lieten de jonge vrouwen zien dat ze ‘toch nog’ goed terecht waren gekomen. Ze maakten duidelijk dat zij in staat waren om op eigen benen te staan.

Vooral de foto’s die de oud-pupillen opstuurden zijn complexe bronnen. Door zich als dienstbode, verloofde, echtgenote of moeder neer te zetten, lieten de jonge vrouwen zien dat zij het beoogde levenspad van het gesticht hadden gevolgd. Ze toonden hiermee aan dat zij de normen van het gesticht over wat een ‘succesvol’ leven was, hadden geïnternaliseerd. Tegelijkertijd zijn de foto’s krachtige statements, waarin de zelfstandigheid, de onafhankelijkheid en het geluk van de voormalige pupil worden benadrukt. Zij suggereren dat de oud-pupil op eigen benen iets van haar leven had weten te maken. Misschien was het grootste gevolg van de institutionele interventie in het leven van de pupillen dat een norm werd geïntroduceerd, waartoe (een deel van) hen zich bleef verhouden. Zo werkte de heropvoeding jaren later nog door in het leven van de jonge vrouwen.

Saskia Bultman is postdoctoraal gastonderzoeker bij de afdeling Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen. Dit artikel komt voort uit haar promotieonderzoek naar assessmenttechnieken in het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes, getiteld Constructing a Female Delinquent Self: Assessing Pupils in the Dutch State Reform School for Girls, 1905-1975, waarop zij in oktober 2016 aan de Radboud Universiteit Nijmegen promoveerde.