De grens van de mens

Door Coen van Galen

De bewoners van de Wahgi-vallei in Papoea-Nieuw-Guinea wisten niet wat ze moesten denken toen de eerste blanke goudzoekers rond 1932 verschenen. Opeens kwamen opvallend bleke wezens hun vallei binnen, omgeven door een weeïg-zoete geestenlucht, die soms kostbare geschenken gaven maar als ze boos werden met donderslagen konden doden. Waren het kwaadaardige bosgeesten? Of waren het de geesten van voorouders die in de rivierbedding naar hun begraven botten zochten? Eén inwoner nam de proef op de som. “Toen we hen in broeken zagen, dachten we dat ze geen poep in zich hadden omdat ze zo netjes ingepakt waren”, herinnert Kirupano Eza’e zich. Hij “verborg zich zorgvuldig om de witte man zijn behoefte te zien doen”, zodat hij een blik kon werpen op diens onveranderlijke innerlijke substantie. Dat loste het raadsel op: “hun huid is anders”, concludeerde Kirupano Eza’e lachend, “maar hun drollen ruiken net als die van ons.”

scene-from-first-contact
Beelden van de eerste ontmoeting tussen de bewoners van de Wahgi-vallei in Papoea-Nieuw-Guinea en blanke goudzoekers in 1932. Fragment uit de documentairefilm ‘First Contact’ (1983)

Wat is een mens? Het antwoord lijkt simpel. Iedereen die op twee benen loopt, kleren draagt en een taal spreekt is een mens. Zo simpel ligt het echter niet: door de geschiedenis heen hebben mensen talloze manieren bedacht om onderscheid te maken en te bepalen wie echte mensen zijn, en wie niet. De manieren om menselijkheid te begrenzen zijn eindeloos. Gender, leeftijd, status, religie en ras zijn maar enkele van de opties. Dit artikel gaat in op de vraag waaróm mensen die verschillen maken, hoe ze geconstrueerd en in stand gehouden worden en welke consequenties ze hebben voor ons wereldbeeld.

‘Mens’ is de term die veel volkeren gebruiken om zichzelf te omschrijven. Met name bij geïsoleerd levende volkeren valt de algemene term voor mens en die voor de eigen groep vaak min of meer samen. Dit geldt onder meer voor de Inuit, de groep die vroeger Eskimo’s werden genoemd. Inuit betekent zoiets als ‘mens’ of ‘echte mens’ in de taal van de Canadese en Groenlandse poolbewoners. Wat zegt het als een groep zichzelf ‘mensen’ noemt? We kunnen het positief duiden. Het kan gezien worden als een teken dat menselijkheid centraal staat of dat leden van deze volkeren meer bereid zijn om elkaar onvoorwaardelijk als medemensen te accepteren. In deze noties, die vaak onbewust teruggrijpen op het romantische ideaalbeeld van edele wilden, wordt echter één onweerlegbaar element over het hoofd gezien: als een groep zichzelf als de echte mens ziet, dan zijn er dus ook groepen die door hen als niet-echte mensen worden beschouwd.

Mensen verdelen de wereld om hen heen in schillen. Na de persoon zelf volgt de groep intimi, mensen die als ‘onze mensen’ worden beschouwd, daarna volgt een schil van mensen waarmee iemand geregeld contact heeft en daarbuiten een schil met buitenstaanders. Deze verdeling zie je ook terug bij groepen mensen. In de westerse wereld wordt onder meer onderscheid gemaakt op basis van nationalisme of religie, al blijft het besef bestaan dat ook buitenstaanders mensen zijn. In geïsoleerde gemeenschappen kan het onderscheid tussen intimi en buitenstaanders echter zo sterk zijn dat het moeite kost om buitenstaanders nog als mensen te zien. De enige mensen zijn dan de leden van de eigen groep. Groepen in de buurt zijn hooguit halfmensen, goed om handel mee te drijven of om vrouwen en vee bij te roven. Daarbuiten ligt een wereld vol gevaar en legenden.

lagen-mensen-2

Dit wereldbeeld, waarbij de enige echte mensen onze mensen zijn, verklaart waarom het Kirupano Eza’e en de zijnen zoveel moeite kostte om de goudzoekers als mensen te zien. Hoewel de inwoners geen moeite hadden om de menselijke vorm van de goudzoekers te zien (anders kon het idee niet ontstaan dat het geesten van voorouders waren), was hun definitie van wat een mens is zo smal dat de relatieve verschillen tussen hen en de blanke goudzoekers tot grote verwarring leidde. Eenzelfde reactie speelde rond de invasie van Amerika door de Spaanse conquistadores in de zestiende eeuw. De onverwachte nieuwkomers stonden buiten de belevingswereld van de inheemse bevolking die grote moeite had om te bepalen wat de Spanjaarden waren: goden, geesten of beesten? Volgens een legende namen de Taino van Puerto Rico het zekere voor het onzekere toen ze zich tegen de Spanjaarden wilden verzetten. Ze ontvoerden eerst een Spanjaard en verdronken hem in een beek. Toen de man na drie dagen nog niet opgestaan was uit de dood, concludeerden ze dat de Spanjaarden geen onsterfelijke demonen waren en durfden ze het aan om een opstand te beginnen.

Mensen zijn uitzonderlijk sociale wezens. We zijn een van de weinige zoogdiersoorten die er geen moeite mee hebben om met grote aantallen niet-verwante individuen op één plek samen te leven. Om onze plek te bepalen in deze massa hebben we een zeer goed ontwikkeld gevoel om vast te stellen wie er wel en niet bij hoort. Volgens de psychologen Tiffany Ito en Geoffrey Urland registreren onze hersenen in 120 milliseconden of iemand tot onze groep behoort of niet. Ter vergelijking: dat is minder dan de tijd die we nodig hebben om te bepalen of iemand man of vrouw is! Als we constateren dat iemand een buitenstaander is, wordt in een reflex de amygdala geactiveerd, het angstcentrum in onze hersenen. Die angstreactie voor vreemdelingen lijkt niet aangeleerd. Een baby van enkele maanden oud vertrouwt een vreemde met een bekend accent al meer dan een vreemde met een onbekend accent.

De activering van de amygdala is een natuurlijke reactie: bij een ontmoeting met onbekenden wordt veiligheid vooropgesteld door angst aan te moedigen. Het effect is evenwel dat alle mensen, ook de meest ruimdenkende, in eerste instantie automatisch xenofobisch en racistisch reageren op vreemdelingen. Dit automatisme om mensen van ‘onze’ groep tot de positieve norm te nemen heeft vérstrekkende consequenties. Het leidt ertoe dat we onze normen tot de maat der dingen te nemen, waaraan buitenstaanders nooit kunnen voldoen omdat ze die normen niet goed genoeg kennen. Onbewust versterkt dat weer het gevoel dat ons soort mensen beter is en dus meer rechten verdient.

Een verschil maken tussen onze mensen en anderen is daarom nooit waardevrij. We hebben de hoogste waardering voor gelijken en zijn ook lankmoediger als die gelijken een keer in de fout gaan, want het zijn de mensen die we het beste begrijpen. Voor mensen uit andere groepen lijkt minder begrip te zijn: hun goede kanten worden minder gewaardeerd en hun fouten strenger afgestraft. Zo ontstaat er een krachtenspel tussen groepen, waarbij groepen die het meest te zeggen hebben in een samenleving er automatisch beter uit komen, omdat andere groepen tot zekere hoogte gedwongen zijn om zich aan te passen aan de normen van deze overheersende groepen. Meestal echter is dit mechanisme verborgen. We ervaren het verschil in status tussen verschillende mensen als iets natuurlijks, als iets wat ‘zo hoort te zijn’. Vooroordelen, die altijd uitgaan van uitvergroting van groepseigenschappen, helpen mee om die verschillen in stand te houden.

Maar wat gebeurt er als die ‘natuurlijke orde’ dreigt te worden doorbroken en het arbitraire karakter ervan zichtbaar wordt? Enkele voorbeelden kunnen dat laten zien. In het oude Rome was de ‘echte’ mens het familiehoofd. Romeinen bleven onmondig zolang hun familiehoofd (de oudste voorouder in mannelijke lijn) nog leefde. Pas bij diens overlijden werden alle directe nakomelingen ieder voor zich een zelfstandig familiehoofd en konden ze bezit hebben. Het familiehoofd was gewoonlijk een man, want vrouwen kregen zelden die kans: ze werden op jonge leeftijd uitgehuwelijkt aan een andere familiegroep en werden daar onmondig ten opzichte van hun echtgenoot, die als enige gezag had over de kinderen. In de eerste eeuw voor Christus veranderde evenwel de huwelijkstraditie en bleven vrouwen na het huwelijk deel van hun eigen familiegroep uitmaken. Een onbedoeld bijeffect van deze ontwikkeling was dat vrouwen zelfstandig werden, met eigen bezit na het overlijden van hun familiehoofd. Hun positie werd daardoor min of meer gelijk aan die van Romeinse mannen.

Deze gelijkheid tussen mannen en vrouwen was een probleem in de hiërarchische Romeinse samenleving, waarin mannelijkheid de maat der dingen was. Vooral omdat vrouwen al snel begonnen te experimenteren met de onverwachte nieuwe mogelijkheden. De verandering bleek niet meer terug te draaien en de oplossing werd gevonden door vrouwen enerzijds hun eigen bezit en persoonlijke vrijheid te gunnen, maar anderzijds te stellen dat vrouwen geen gezag hadden over hun kinderen en dus al helemaal niet over andere, volwassen burgers. Dit sloot Romeinse vrouwen effectief uit van elk officiële rol in bestuur of rechtspraak. Verder werd benadrukt dat een vrouw niet zelfstandig in het publiek behoorde op te treden en dat ze haar bezit ‘natuurlijk’ behoorde in te zetten voor haar gezin, voor haar kinderen die deel waren van de familiegroep van haar man. Op die manier werd ze indirect alsnog de norm bevestigd dat mannen belangrijker waren dan vrouwen.

Een ander voorbeeld stamt uit 1789, toen de Nationale Grondwetgevende Vergadering in Frankrijk de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’ aannam. Dat doorbrak de maatschappelijke superioriteit van de adel door het radicale standpunt in te nemen dat alle mensen aan elkaar gelijk waren. Waar de heren afgevaardigden echter niet op gerekend hadden, was dat vrouwen deze verklaring aangrepen om hun aandeel in de gelijke rechten te claimen. Dit was een probleem, want hoe konden vrouwen uitgesloten blijven zonder het gelijkheidsbeginsel aan te tasten? Na veel soebatten werd de oplossing gevonden door man en vrouw inderdaad gelijk te maken, maar te benadrukken dat de man het hoofd was van het gezin. Hij vertegenwoordigde zijn gezin ‘natuurlijk’ in het openbare leven en er was dus geen enkele reden om vrouwen zelfstandig kiesrecht te geven. Dit argument blokkeerde het vrouwenkiesrecht effectief voor lange tijd: in Nederland kregen vrouwen in 1919 kiesrecht, in Frankrijk zelf pas in 1944.

slavenregister-suriname
Registratie van mensen in slavernij in Suriname na 1830: wel erkend als mensen, maar achternamen en gezinsvorming werd niet erkend. Iedereen werd geregistreerd op eigenaar.

 

Een derde voorbeeld. Rond 1830 was de internationale slavenhandel al lang verboden en Groot-Brittannië stond op het punt om de slavernij af te schaffen. In de Nederlandse kolonie Suriname wist men dat de slavernij een aflopende zaak was. Hoe hiermee om te gaan? Als concessie werd besloten om de wettelijke status van slaven te veranderen van voorwerpen (waarmee een eigenaar in principe kon doen wat hij wilde) naar mensen, maar dan wel onmondige kinderen die onder het gezag van de eigenaar stonden en naar believen gestraft konden worden. Ook bleef het slaven verboden om te trouwen en mochten ze geen achternaam hebben, waardoor hun maatschappelijke inferioriteit benadrukt werd. Tegelijkertijd werden vrije en slaafgemaakte gekleurde mensen steeds meer als één groep gezien. De vooroordelen over slaven werden ook op vrije gekleurde mensen geplakt. Zo bleef de ‘natuurlijke’ verhouding, waarbij alleen blanken volwaardige mensen waren en zwarten als inferieur werden gezien, ook na de afschaffing van de slavernij in 1863 in stand.

Angst voor mensen buiten de eigen groep is ingebakken en deze angst leidt altijd tot het maken van onderscheid tussen onszelf en de ander. Zo bezien lijkt de situatie hopeloos: mensen zullen elkaar altijd discrimineren en hun eigen groep bevoordelen. Gelukkig is de wereld niet zo somber zwart-wit. We zijn weliswaar alleen sociaal binnen onze eigen groep, maar we hebben als mensen wel het mentale vermogen om onze groep te vergroten. Dat zien we in Nederland: twee eeuwen geleden beschouwden mensen uit verschillende Nederlandse steden elkaar als buitenlanders. Nu accepteren we probleemloos iemand uit een ander deel van het land als een lid van onze groep. Die geleidelijke schaalvergroting van wie we als onze groep beschouwen zien we ook in andere landen optreden. Dit is geen rechtlijnig proces: we hoeven alleen maar te denken aan de huidige islamdiscussie om te weten dat het onderscheid tussen verschillende Nederlanders soms ook wordt vergroot. Ook kan een nieuw onderscheid ontstaan. Een voorbeeld is de verwijdering die in Nederland ontstaan is tussen hoog- en laagopgeleide mensen.

Uiteindelijk draait het allemaal om de vraag: gunnen wij andere mensen dezelfde rechten als de rechten die we zelf hebben? Of gunnen we hun die rechten pas als ze zich totaal niet meer van ons onderscheiden? Gelukkig is onderscheid net zo’n rekbaar begrip als inclusie. De mate waarin we onderscheid voelen, hangt af van de context. Als we in Nederland een Italiaan ontmoeten, letten we waarschijnlijk vooral op de verschillen, maar als we diezelfde Italiaan op vakantie in Laos ontmoeten, is het opeens een mede-Europeaan. Alles is context. Daarom hoop ik in stilte dat de zoektochten naar intelligent buitenaards leven binnenkort resultaat opleveren. Dan pas hebben we echt een ultieme ander om ons tegen af te zetten. In die nieuwe context zal het ons geen enkele moeite kosten om te beseffen hoe verschrikkelijk veel we als mensen op elkaar lijken.

Coen van Galen (1971) werkt als sociaal historicus aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij deed onderzoek naar de positie van vrouwelijke burgers in het Romeinse rijk en naar de positie van mensen in slavernij in het negentiende-eeuwse Suriname. Dit artikel is een bewerking van een lezing gehouden tijdens het evenement 024 Geschiedenis in Nijmegen.

 

Literatuur

Cushman, G.T. (2007) ‘The Last First Contact’, Environmental History, 12,2: 304-307.

Ito, T. A., & G.R. Urland (2003) ‘Race and gender on the brain: Electrocortical measures of attention to the race and gender of multiply categorizable individuals’, Journal of Personality and Social Psychology 85: 616–626.

Van Galen, C. (2015) ‘Gendervooroordelen en de Romeinse census’, Tijdschrift voor Geschiedenis 128,3: 355-375.

Van Galen, C. (2016a) Women and citizenship in the late Roman Republic and the early Empire (Nijmegen, proefschrift Radboud Universiteit).

Van Galen, C. (2016b) ‘De Surinaamse slavenregisters als publiek erfgoed’, OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied 35,1 (2016).