Vrouwen rondom Johan de Witt

Door Ineke Huysman

Afbeelding 1
Johan de Witt, naar Jan de Baen 1669, Rijksmuseum Amsterdam

De zesdelige bronneneditie van Nicolaas Japikse en Robert Fruin, Brieven aan en Brieven van Johan de Witt (Den Haag 1906-1919), bevat slechts een selectie van 3.038 brieven, een fractie van het totale Johan de Witt-brievencorpus. Uit deze selectie hebben de editeurs vervolgens slechts 101 brieven (drie procent) gekozen die aan of door vrouwen zijn geschreven. Zo lijkt het alsof Johan de Witt maar heel zelden met vrouwen correspondeerde. In werkelijkheid is er echter veel meer correspondentie met vrouwen bewaard gebleven. Dit artikel introduceert het project Briefwisseling van Johan de Witt, raadpensionaris van Holland, dat wordt uitgevoerd door het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis

Brievenproject

Het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (Huygens ING) digitaliseert momenteel de bovengenoemde editie en ontsluit deze op metadata, zoals datum, correspondent en plaats van verzending. Deze digitale collectie wordt de komende jaren uitgebreid met gegevens van de ongepubliceerde brieven, om zodoende een digitale catalogus te worden voor de volledige correspondentie van De Witt. Hierbij heeft het Huygens ING samenwerking gezocht met het Nationaal Archief (NA) en Early Modern Letters Online (EMLO) – een project van Cultures of Knowledge dat weer deel uitmaakt van Oxford University en de Bodleian Library. EMLO heeft als doel een portal te zijn voor alle vroegmoderne correspondenties om deze zo virtueel bij elkaar te brengen. Zo staan inmiddels reeds 120.000 brieven uit 300 verschillende repositories online. De briefwisselingen van Constantijn Huygens, Hugo de Groot en zes stadhoudersechtgenotes, allen uitgegeven door het Huygens ING, zijn reeds in de EMLO-catalogus geïntegreerd.

Met een team van stagiaires en gastonderzoekers wordt momenteel hard gewerkt aan de invoer van de metadata van de brieven van en aan De Witt die zich op het NA bevinden. Dit immense archief (inventaris Raadpensionaris De Witt, 3.01.17) zal in de loop van 2017 openbaar worden gemaakt. Eind 2017 zal het Huygens ING een eerste deel van de brieven online publiceren.

Tijdens het werk aan de brieven van De Witt komt het onderzoeksteam vaak bijzondere zaken tegen. Dat kunnen bijvoorbeeld noemenswaardige personen zijn, vreemde voorvallen of opvallende materiële zaken. Zo vonden we onlangs zelfs een blonde haarlok tussen de documenten. Vooruitlopend op de openstelling van het Johan de Witt-archief door het NA, wordt hier door middel van blogpagina’s, tweets (@JohandewittNL), instagram– en facebookberichten melding van gemaakt.

De Witt’s correspondentie met vrouwen

Van de 8.900 brieven gericht aan De Witt die de afgelopen tijd door onze handen zijn gegaan, zijn er 445 door 150 verschillende vrouwen geschreven, dat wil zeggen vijf procent.

Van de 2.800 minuten (concepten van De Witts uitgaande brieven) heeft hij er zelf 150 aan vrouwen gericht, eveneens vijf procent. Dat wil overigens niet zeggen dat hij niet meer brieven aan vrouwen heeft geschreven, de minuten behoren immers tot zijn officiële correspondentie als raadpensionaris.

Hoewel er minder vrouwen dan mannen met De Witt correspondeerden, zijn hun brieven minstens zo interessant, temeer omdat zij in de historiografie rondom De Witt amper aandacht hebben gekregen. De brievenschrijfsters zijn afkomstig uit alle lagen van de bevolking: zo zijn er vrouwen die om een aalmoes vragen om hun arme kinderen te behoeden voor de hongerdood, maar er zijn ook veel vrouwen uit hogere lagen van de bevolking – tot aan de weduwes van de stadhouders toe – die de raadpensionaris op een of andere manier om voorspraak vragen voor hun mannen en zonen. Natuurlijk zijn er ook veel brieven van vrouwelijke familieleden: De Witt’s zusters, schoonzusters, nichten, dochters en natuurlijk Wendela Bicker, zijn echtgenote. Andere interessante ongepubliceerde brieven van vrouwen zijn bijvoorbeeld brieven van Elizabeth Stuart, de ‘Winterkoningin’, en van Christina van Zweden, de koningin die afstand had gedaan van de Zweedse troon om over te gaan tot het katholieke geloof.

Afbeelding 3
Brief van Elizabeth Stuart, de ‘Winterkoningin’ aan Johan de Witt d.d. 14/24 juni 1661, Nationaal Archief, Den Haag (Voorlopige archiefgegevens: NL-HaNA Raadpensionaris De Witt, 3.01.17; 9102)

Johan de Witt en de stadhoudersvrouwen

De briefwisselingen van de echtgenotes van de stadhouders in de Republiek der Verenigde Nederlanden zijn nog nauwelijks bestudeerd. Uit hun correspondenties, onder anderen met De Witt, blijkt dat deze stadhoudersvrouwen zeer politiek actief waren. Van oudsher beschouwt de geschiedschrijving de praktijk van de vroegmoderne politiek als een voornamelijk mannelijke aangelegenheid en laat daarbij de bestudering van brieven van vrouwen achterwege. Het was echter juist door het voeren van correspondenties dat vrouwen in het verleden hun politieke macht konden uitoefenen. In de Republiek regeerden vrouwen niet alleen onder hun eigen naam of namens hun kinderen, maar zij waren ook politiek actief als tantes, nichtjes, echtgenotes en zusters.

Afbeelding 4

De digitale publicatie van de brieven van de zeventiende-eeuwse Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen (voornamelijk bewaard op het Koninklijk Huisarchief) maakt het mogelijk nieuw wetenschappelijk onderzoek te doen naar hun invloed op de politieke, culturele en sociale processen in de Republiek en daarbuiten. Op dit moment bevat het corpus brieven van de drie Hollandse stadhoudersvrouwen: Amalia von Solms-Braunfels (1602-1675), Mary Stuart, Princess Royal (1631-1661), Mary Stuart, Koningin van Engeland, Schotland en Ierland (1662-1694); en de drie Friese stadhoudersvrouwen: Sophia Hedwig von Braunschweig Wolfenbüttel (1592-1642), Albertine Agnes van Oranje-Nassau (1634-1696) en Henrietta Amalia von Anhalt-Dessau (1666-1726). De Witt heeft met drie van de zes genoemde vrouwen gecorrespondeerd, te weten met Amalia van Solms, Mary Stuart (Princess Royal) en Albertine Agnes van Oranje-Nassau.

Afbeelding 5
Brief van Albertine Agnes van Oranje aan Johan de Witt d.d. 29 oktober/8 november 1664, Nationaal Archief, Den Haag (Voorlopige archiefgegevens: NL-HaNA Raadpensionaris De Witt, 3.01.17; 9540)

Albertine Agnes van Oranje-Nassau en Johan de Witt

De correspondentie die Albertine Agnes met Johan de Witt voerde naar aanleiding van de opvolging van haar overleden echtgenoot toont aan hoe strategisch een stadhoudersechtgenote te werk kon gaan waar het ging om de behartiging van de dynastieke belangen.

Tien dagen na het plotselinge overlijden van haar echtgenoot, de Friese stadhouder graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz, schrijft Albertine de raadpensionaris De Witt een eigenhandige brief. Zij doet daarin een poging om de positie van haar zoon veilig te stellen, waarbij zij uiteraard ook aan haar eigen situatie denkt. Haar zoon Hendrik Casimir II (1657-1696) is eind 1664 pas zeven jaar oud en het is bepaald geen zekerheid of het stadhouderschap van Friesland en Groningen behouden zal kunnen blijven na de dood van zijn vader. De brief (noch een antwoord erop of andere correspondentie hierover) komt niet voor in de uitgave van de correspondentie van De Witt. In de editie van zijn brieven, uitgegeven in 1909, is te lezen: ‘Van den dood van Willem Frederik, den 31 October van dit jaar, staat niets bijzonders in de brieven’, waarna slechts een brief aan de graaf volgt, waaruit blijkt hoeveel meer Holland te vertellen heeft dan Friesland. Toch blijkt dat De Witt er op 25 oktober nog aan de stervende Willem Frederik over heeft geschreven, aangezien Albertine daarnaar verwijst in haar brief.

Afbeelding 6
Albertine Agnes van Oranje-Nassau met haar kinderen, Abraham van den Tempel 1668, Wikimedia Commons

Op zijn sterfbed had Willem Frederik zich op 30 oktober ook nog tot de Staten van Friesland gewend om de positie van zijn ‘Soontje’ veilig te stellen. Na zijn overlijden namen de Staten van Friesland op 12 november 1664 een resolutie aan betreffende zijn opvolging door Hendrik Casimir II. Het stadhouderschap zou hem worden toegekend op twintigjarige leeftijd en verder was bepaald, niet onbelangrijk voor Albertine Agnes, dat Hendrik Casimir II het bij het ambt behorende traktement zou ontvangen.

Uit haar brief aan De Witt blijkt dat Albertine Agnes niet helemaal gerust was op de beslissing van de Staten van Friesland. Ze vond het kennelijk nodig zich te verzekeren van de steun (en de faveur) van de raadpensionaris, opdat deze ‘zijne genegentheid sall gelieven te continueeren’. In de aanloop van de ontwikkelingen met Engeland kwam het De Witt op zijn beurt goed uit om Albertine Agnes (en Friesland) te vriend te houden. Johan de Witt had als raadpensionaris van Holland officieel geen bemoeienis met de gang van zaken in Friesland. Dat Albertine Agnes hem om support vraagt, geeft niet alleen aan dat hij zich eind 1664 in een bijna onaantastbare positie bevond, maar ook hoe wankel de positie van de Nassaus was geworden. Niet voor niets werd De Witt rond deze tijd wel ‘King John’ genoemd. Je kunt je afvragen wat er met Hendrik Casimir II (en dus ons huidige koningshuis) was gebeurd als Albertine Agnes van Oranje niet zo behoedzaam had gemanoeuvreerd.

De geschiedenis is nooit af. Immers, deze onbekende relatie tussen Johan de Witt en Albertine Agnes is maar een voorbeeld uit de vele duizenden ongepubliceerde brieven van de raadpensionaris. Verder onderzoek zal meer van dit soort tot nog toe onbekende verhalen aan het licht brengen.

Ineke Huysman

Ineke Huysman is werkzaam als onderzoeker bij het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, waar zij o.a. projectleider is van de briefwisselingen van de Hollandse en Friese Stadhoudersvrouwen, Constantijn Huygens en Johan de Witt. Zij promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op een biografie van Beatrix de Cusance (1614-1663), hertogin van Lotharingen. Onlangs organiseerde zij namens de Vrienden van De Witt in samenwerking met  Huygens ING en de Koninklijk Bibliotheek een congres over Vrouwen rondom Johan de Witt, waarvan een verslag en een video online te raadplegen zijn.