Nieuw-Guinees verzet tegen koloniaal ‘reddingsplan’

Door Marleen Reichgelt

Marleen Reichgelt_Lokaal verzet tegen een koloniaal ‘reddingsplan_

Het is enigszins confronterend: elf gespannen jonge meisjes die je strak, haast beschuldigend aankijken. Hoewel de fotograaf hen vrij letterlijk te kijk heeft gezet, lijken deze kinderen vastbesloten weerstand te bieden aan de blik van de camera. Het resulterende plaatje is een subtiele getuigenis van een machtsstrijd tussen missionarissen en de inwoners van Nieuw-Guinea, die bijna 100 jaar geleden in de voormalige Nederlandse kolonie woedde. Centraal in het conflict stond de lokale jeugd die op de foto te zien is.

Op het eerste gezicht lijkt bovenstaande foto weinig bijzonder. Een veelvoorkomend beeld van de exotische ‘anderdat zeer populair was in het koloniale tijdperk, in dit geval vastgelegd door een missionaris in Nieuw-Guinea. Foto’s van de ‘nieuwe parochianen’ verschenen bij de vleet in de vele missietijdschriften en waren vaak bedoeld om een beeld te schetsen van de avontuurlijke werkomgeving van de missionaris. De geportretteerde mensen werden neergezet als types of curiositeit, niet als individuen. Toch is deze foto wel degelijk bijzonder, net als de omstandigheden waaronder de opname werd gemaakt. Door de foto te analyseren en contextualiseren, kan deze bron een unieke getuigenis bieden van de reactie van de lokale bevolking van toenmalig Nederlands-Nieuw-Guinea op zogenaamde beschavingsprojecten van het koloniale bewind.

Koloniaal Nederlands-Nieuw-Guinea

Kaartje Lagerberg 2In vergelijking met andere delen van Nederlands-Indië kwam de koloniale administratie in Nederlands-Nieuw-Guinea vrij laat op gang en bleef deze relatief beperkt. In 1898 werden de eerste bestuursposten gesticht te Fakfak en Manokwari, aan de noordzijde van het eiland. De eerste koloniale bestuurspost in het zuiden van Nederlands-Nieuw-Guinea werd in 1902 in Merauke gevestigd. Dit was hoofdzakelijk een militaire post, belast met de verdediging van de grens met Brits-Nieuw-Guinea. Economisch gezien viel er weinig in het gebied te halen en in Nederland bestond er dan ook nauwelijks interesse voor de kolonie.

De apostolische prefectuur van Nederlands Nieuw-Guinea, een kerkrechtelijk afgebakend missiegebied dat naast het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea ook de Kei-, Aru- en Tanimbar-eilanden omvatte, was in handen van de Nederlandse tak van de congregatie van Missionarissen van het Heilig Hart van Jezus (Latijn: Missionarii Sacratissimi Cordis Iesu of MSC). In 1905 vestigden de eerste vier missionarissen zich in Merauke. De congregatie had een chronisch tekort aan personeel en kapitaal, en de missie in het dunbevolkte en moeilijk toegankelijke gebied stond laag op het prioriteitenlijstje. Het katholicisme kreeg nauwelijks voet aan de grond en meer succesvolle missiegebieden kregen voorrang. In 1915 stagneerde de toestroom van middelen en nieuw personeel vanwege de Eerste Wereldoorlog en werden vrijwel alle missionarissen teruggeroepen naar de nabijgelegen Kei-eilanden. Alleen pater Petrus Vertenten en de twee broeders Joosten en Van Santvoort bleven in Merauke achter.

In die tijd woedde er een zeer besmettelijke geslachtsziekte – in 1920 officieel gediagnosticeerd als granuloma inguinale of donovanosis – onder de Marind-anim, de grootste bevolkingsgroep in het gebied rondom Merauke. Door de ziekte werden veel vrouwen onvruchtbaar en liep het geboortecijfer steeds verder terug. De grieppandemie van 1918 had een verwoestend effect op de toch al zwakke bevolking. Onder het motto ‘Zuid-Nieuw-Guinea sterft uit’ besloot Vertenten de publiciteit op te zoeken. Met succes: zijn artikelen over het ‘uitsterven’ van de Marind-anim in de Javapost deden in 1919 veel stof opwaaien en leidden uiteindelijk tot Kamervragen. Vertenten werd naar Batavia gehaald om zijn pleidooi tot ingrijpen toe te lichten. Het ‘reddingsplan’ dat hij op de paleisconferentie van januari 1921 presenteerde, werd door de regering gesubsidieerd.

Naast medische behandeling was een belangrijk onderdeel van dit plan de bouw van zogenaamde modelkampongs, waarin het gezonde deel van de bevolking, in het bijzonder de jeugd, afgezonderd en onder toeziend oog van missie en koloniaal bestuur meer volgens ‘westers’ gebruik diende te leven. Men moest zich blijvend op één plek vestigen, eengezinswoningen vervingen de gemeenschappelijke mannen- en vrouwenhuizen, en ongewenste rituelen werden verboden. De gotades, de verblijven van ongetrouwde jonge mannen die in het reddingsplan getypeerd werden als ‘kweekscholen van luiheid en ontucht’, moesten verdwijnen. Jonge stellen die wilden trouwen, waren verplicht dit kenbaar te maken aan het koloniale bestuur, westerse kleding aan te nemen, en zich in een modelkampong te vestigen. Het centrum van een modelkampong was de school, verplicht voor alle ‘kinderen’: de missionarissen bepaalden wie naar school moest en in de praktijk was het niet ongebruikelijk dat ook de oudere jeugd tot aan het huwelijk in de schooltuinen bleef werken.

Missie en bestuur waren succesvol in het terugdringen van donovanosis: in 1924 was de ziekte zo goed als onder controle. Het project is bekend komen te staan als de ‘redding’ van de Marind-anim. De maatregelen van het plan werden echter met dwang door de missie opgelegd en door het bestuur doorgevoerd. Jan Cornelissen typeerde de verhoudingen tussen missie en bestuur in zijn proefschrift als respectievelijk die van een vermanende moeder en de straffende vader. De missie propageerde veel van de maatregelen, zoals schoolbezoek en medische behandeling, al langer, maar tot dan toe altijd op vrijwillige basis. Pas nadat de Marind-anim vanaf 1921 de facto onder curatele van het Nederlandse bestuur waren gesteld, begon het missiewerk resultaat te boeken. De samenleving en leefwereld van de Marind-anim veranderden in een periode van slechts enkele jaren ingrijpend.

De bronnen over deze periode zijn vrijwel exclusief opgesteld door de missionarissen en vertegenwoordigers van het koloniale bestuur. Er zijn geen bronnen geschreven door of vanuit het perspectief van de Marind-anim. Om iets te weten te komen over de positie van de Marind-anim in het koloniale beschavingsproject moeten de bestaande bronnen vanuit een andere invalshoek en met behulp van andere methodes worden benaderd. Zo is het mogelijk om aan de hand van bovenstaande foto een idee te krijgen van wat de plotselinge schoolplicht betekende voor de Marind-anim.

Verzet tegen de schoolplicht

De foto is genomen in Wambi, in 1923. De fotograaf was pater Henricus Geurtjens, één van de missionarissen werkzaam in het gebied. De opname toont elf meisjes van de Marind-stam bij de opening van een kampongschool. De meisjes staan in twee rijen, met op de achterste rij acht kinderen hand in hand in een halve cirkel en daarvoor nog drie meisjes, ook met de handen verstrengeld. Alle kinderen staan roerloos in de houding, met de voeten dicht bij elkaar geplaatst en de armen langs het lichaam. De blik van de meisjes is strak op de camera gericht, die zich ongeveer op ooghoogte van het kleinste meisje bevindt.

De Marind-samenleving was onderverdeeld in leeftijdsklassen, waarbij elke klasse zijn eigen kenmerkende dracht had. Hoewel de meisjes normaliter tot de kivasoms (de leeftijdsklasse voor meisjes van vier tot dertien jaar oud) zouden behoren, zijn ze gekleed in de dracht behorend bij de klasse van wahoekoes (jonge vrouwen van ongeveer veertien tot zeventien jaar). Geen enkel element van de aankleding gedragen op de foto werd normaliter door meisjes van deze leeftijd gedragen; hun ‘kleding’ bestond doorgaans slechts uit een ketting van schelpjes en een armband met bloemen. Bovendien werd hun haar kort gehouden.

De volwassen inwoners van Wambi wilden hun kinderen niet hele dagen afstaan aan schoolplicht en hadden, in een poging de missionarissen te misleiden, geprobeerd de meisjes door te laten gaan voor jongvolwassenen. De missionarissen hadden de beoogde leerlingenaantallen echter al enige tijd eerder in kaart gebracht en zagen dat er kinderen ontbraken. Na een korte zoektocht werden de kinderen toch naar het schoolgebouw gebracht. Daar werden de meisjes vervolgens gefotografeerd. Geurtjens heeft deze foto op de achterkant van het volgende commentaar voorzien:

‘Kleine meisjes te Wambi, die men bij de opening der school in 1923 als wahoekoe (bijna huwbaar meisje) had opgesierd, in de hoop, dat ze dan van den schoolplicht zouden worden vrijgesteld. De list mocht evenwel niet baten!’

De geamuseerde en licht triomfantelijk toon van Geurtjens staat in scherp contrast met de fronsende blik en starre houding van de meisjes op de foto. Ze lijken geagiteerd en slecht op hun gemak. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat met name de zes jongste meisjes er behoorlijk vreemd uit moeten hebben gezien – wellicht nog het best te vergelijken met het effect dat de deelnemertjes aan Amerikaanse child beauty pageants vandaag de dag op toeschouwers hebben. Geurtjens verwoordde het als volgt: ‘[Het was] voor ons beslist een leuk gezicht: de hummelepummeltjes van 9 of 10 jaar in toilet van de groote zus; halfwassen bakvischjes als huwelijkscandidaten!’ Het is niet ondenkbaar dat de meisjes, nadat ze door de mand waren gevallen, naar de school waren meegetroond, en nu ook nog voor de camera moesten poseren, zich belachelijk gemaakt en te kijk gezet voelden.

Hoewel Geurtjens het incident reduceert tot een vermakelijke anekdote, was het voor de Marind-anim een serieuze aangelegenheid. Het vervaardigen en aanbrengen van de ornamenten, met name de lange haarverlengsels, moet de vrouwen van Wambi vele uren, zo niet dagen, hebben gekost. Daarbij had de dracht een zeer specifieke sociale betekenis en ging het aanbrengen ervan normaliter gepaard met uitgebreide rituele vieringen. Eenmaal aangenomen, konden de ornamenten niet meer zomaar worden afgelegd. Het moet een gewichtige beslissing zijn geweest, en was een poging tot verzet tegen het koloniale beleid.

Het feit dat het protest zich vooral lijkt te hebben gericht op de schoolplicht van de meisjes, is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat het grootste deel van het dagelijkse werk, waaronder de voedselvoorziening, bij de Marind-anim door de vrouwen werd verricht. De meisjes moesten al vanaf jonge leeftijd meehelpen en meewerken in de tuinen, terwijl de jongens andere verplichtingen hadden. Het voorval toont aan dat de Marind-anim niet bereid waren de opvoeding van hun kinderen zonder meer uit handen te geven. Invloed op de lokale jeugd speelde een centrale rol in het koloniale beschavingsoffensief. De missionarissen achtten het van essentieel belang kinderen op jonge leeftijd de christelijke moraal en christelijke zeden bij te brengen, niet alleen omdat kinderen nog ‘onbezoedeld’ en beïnvloedbaar zouden zijn, maar ook om de toekomst van het volk ‘veilig te stellen’.

Een eigen stem

Ondanks dat ‘de list niet mocht baten’, werden de bezwaren van de Marind-anim niet geheel ter zijde geschoven. Naar aanleiding van het incident werd beloofd dat de ‘grootere kinderen […] altijd, wanneer haar hulp noodig was’ verlof zouden krijgen. Daarnaast werd het de kinderen geoorloofd in ‘nationale dracht’ naar school te gaan, ook de meisjes in kwestie.

De foto toont dat er niet alleen sprake was van verzet, maar ook dat dit verzet tot op zekere hoogte succesvol was. De Marind-anim beschikten over onderhandelingsruimte en ze konden enige invloed uitoefenen op de educatie van hun kinderen. Los van de vraag of het verzet tot stand was gekomen als protest tegen vreemde inmenging op de opvoeding van hun kinderen, of dat de moeders de hulp van hun dochters simpelweg niet wilden missen; het is evident dat de Marind-anim grote inspanningen deden om aan de schoolplicht te ontkomen. Het beeld van de poserende meisjes past op het eerste gezicht naadloos binnen de traditie van de koloniale fotografie, waarbij mensen gereduceerd worden tot exotische ‘types’. Door middel van nadere analyse en contextualisering kunnen echter de geportretteerden zelf, hun perspectief en hun belangen naar voren worden gehaald. De foto kan nu in een heel ander licht worden gezien. De zwijgende, stuurse blikken richting de camera getuigen van een volk dat niet bereid was zich zonder slag of stoot naar de wensen van het koloniale bewind te schikken.

De originele foto bevindt zich in het archief van de Missionarissen van het Heilig Hart van Jezus, ondergebracht bij het Erfgoedcentrum voor Nederlands Kloosterleven in Sint Agatha (AR-P027, inv. nr. 20210). De collectie vooroorlogse missiefotografie van de MSC op Nederlands-Nieuw-Guinea is tevens toegankelijk via de beeldbank van het erfgoedcentrum, in te zien via http://www.erfgoedkloosterleven.nl.

 

Marleen Reichgelt voltooide onlangs de Research Master Historical Studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is momenteel werkzaam bij het Erfgoedcentrum voor Nederlands Kloosterleven. Dit artikel bouwt voort op haar afstudeeronderzoek naar de rol van kleding in het beschavingsoffensief van de missie op Nederlands-Nieuw-Guinea, met een focus op missiefotografie als historische bron.

 

Referenties

Afbeelding landkaart Niew-Guinea: C.S.I.J. Lagerberg, Jaren van reconstructie. Nieuw-Guinea van 1949 tot 1961 (Proefschrift Universiteit Utrecht, 1962).

Baal, Jan van, Dema: Description and Analysis of Marind-Anim Culture (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1966).

Cornelissen, J.F.L.M., Pater en Papoea: ontmoeting van de Missionarissen van het Heilig Hart met de cultuur der Papoea’s van Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea, 1905-1963 (Kampen: Kok, 1998).

Derksen, Maaike, ‘Local Intermediaries? The Missionising and Governing of Colonial Subjects in South Dutch New Guinea, 1920–42’, The Journal of Pacific History 51:2 (2016), 111-142.

Geurtjens m.s.c., H., Onder de Kaja-kaja’s van Zuid Nieuw Guinea (Roermond-Maeseyck: J.J. Romen & Zonen, 1933).

Steenbrink, Karel, Catholics in Indonesia, 1808-1942: A Documented History. Volume 2: The Spectacular Growth of a Self Confident Minority, 1903-1942 (Leiden: Brill, 2014).