Door Door Noa de Kievit
Het hing op een bordje naast de lerarenkamer van mijn basisschool. Een rode cirkel eromheen, een streep erdoor. Verboden.
‘‘Waarom?’’ vroeg ik aan de leraar. ‘‘Omdat ‘ja, maar’ brutaal is,’’ zei hij.
‘‘Ja, maar…’’ had ik toen willen zeggen. Ik begreep destijds de grap niet eens. Ik was bovendien een verlegen kind, dus slikte ik het in. Toch bleef het aan me knagen. Dat je als kind ergens niet tegenin mocht gaan en dat instemmen dus de enige toegestane opening was, alles wat daarna kwam al bij voorbaat verdacht.
Nu, jaren later, begrijp ik het bordje beter. Niet dat ‘‘ja, maar’’ altijd fout is. Integendeel. Soms heb je gewoon een punt van kritiek. Soms klopt iets niet en wil of moet je ergens tegenin gaan. Maar er is een verschil tussen ‘‘ja, maar’’ als argument en ‘‘ja, maar’’ als reflex.
En dat laatste hoor ik tegenwoordig opvallend vaak als het over vrouwen gaat.
Er is namelijk iets veranderd. Mannen–en heus niet alleen mannen–zijn het tegenwoordig steeds vaker met me eens. Vrouwen in de sport? Prima! Vrouwen in de directiekamer? Logisch! Vrouwen die harder schreeuwen, feller duwen, meer willen? Toe maar! Er wordt geknikt, er wordt geapplaudisseerd, er wordt zelfs weleens een bosje bloemen aangeboden na afloop.
En toch voelt het onheilspellend. Niet omdat de instemming onecht is, maar omdat er een uitlaatklep is ingebouwd. Die uitlaatklep heet: ‘‘ja, maar.’’
Ja, maar het niveau zal toch altijd lager blijven. Ja, maar biologisch gezien zitten daar natuurlijk wel haken en ogen aan. Ja, maar waarom moet alles hetzelfde als bij de mannen? Ja, maar ze overdrijven wel een beetje, hè?
Voor volwassenen is ‘ja maar’ blijkbaar helemaal niet zo brutaal. Sterker nog, het is een bijzonder elegante vondst, dat ‘‘ge-ja, maar.’’ Wie het in de mond neemt, hoeft nooit meer hardop ergens tégen te zijn–dat mag immers allang niet meer en dat weet iedereen. Instemming is de verplichte opening geworden: eerst moet er een ‘‘ja’’ komen, pas daarna mag de kanttekening volgen. Zo kun je iemand alle ruimte geven om gewaardeerd te worden, zolang je er uiteindelijk maar bij zegt waarom die waardering toch niet helemaal telt. Een compliment met een ontsnappingsclausule. Een applaus met een voetnoot die dient als garantie dat de bewondering nooit helemaal onvoorwaardelijk hoeft te zijn.
Laat dat laatste even bezinken. De garantie. Dat de bewondering. Nooit. Onvoorwaardelijk hoeft te zijn.
Dat voelen wij vrouwen namelijk, ook als het onuitgesproken is. We weten dat een compliment zomaar om kan slaan in een beperking, een ‘ja’ in een ‘‘ja, maar.’’ Want als er iemand sensitief is en dat aanvoelt… We verschillen namelijk inderdaad vaak biologisch, daar ben ik het mee eens.
Wacht, even terug. We verschillen biologisch gezien? Lees je dat nou goed? Ja hoor, dat lees je goed. Ja, maar feministen zeggen toch altijd…? Nee hoor. Helemaal niet.
Sterker nog: het idee dat mannen en vrouwen wezenlijk verschillend zijn, komt oorspronkelijk uit het feminisme zelf. Het heet zelfs zo: differentie feminisme, ook wel cultuur feminisme. In Frankrijk schreven dappere vrouwen zoals Hélène Cixous en Luce Irigaray er in de jaren zeventig hele boeken over (Moi, 1985, p. 105 & p. 132). In Amerika trok Coral Gilligan, hoewel vanuit een meer psychologische invalshoek, dezelfde conclusie (Gilligan, 1982, pp. 10-11). Vrouwen hebben andere kwaliteiten en behoeften dan mannen, zeiden zij–niet slechtere, niet betere, gewoon andere. Het punt was nooit een rangorde. Het punt was dat verschil geen reden mag zijn om iemand minder serieus te nemen.
Laten we het dan maar over voetbal hebben. Dat doen we in Nederland toch graag als het gaat om gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En eerlijk gezegd is er inderdaad weinig terrein waarop de ‘‘ja, maar’’ zo vrolijk gedijt als hier.
We waren na onze teleurstelling in het afgelopen WK tenslotte op zoek naar een nieuwe bondscoach voor de mannen, en sinds de naam Sarina Wiegman viel, is de eeuwenoude discussie weer opgelaaid. Is vrouwenvoetbal wel van dezelfde kwaliteit als mannenvoetbal? Gelukkig wordt er tegenwoordig steeds vaker een compliment gegeven aan het vrouwenvoetbal. Maar als puntje bij paaltje komt, blijft het de vraag of het patroon van paternalistisch ‘‘ge-ja, maar’’ dat vrouwen steeds maar weer reduceert, verbroken wordt.
Nynke de Jong schreef er in 2017 al een messcherpe column over voor het AD, nu actueler dan ooit (2017, n.p.). Naar aanleiding van het gemopper na het toenmalige EK Vrouwenvoetbal–over dat het niveau tóch niet helemaal hetzelfde is als bij de mannen–deed ze iets onverwachts: ze pleitte niet tegen de vergelijking, maar vóór. Vergelijk gerust, schreef ze, graag zelfs. Alleen dan wel eerlijk. Ze zette de geschiedenis ernaast: het verbod op vrouwenvoetbal door de KNVB in 1938, de illegale wedstrijden in boomgaarden, de erkenning die pas in 1971 kwam (slechts als amateursport), terwijl de mannen toen allang op WK’s speelden. ‘‘Het vrouwenvoetbal is gebouwd op onverschrokken vrouwen die alles trotseerden om de sport van hun keuze te kunnen beoefenen,’’ schreef ze–en dát, niet alleen het huidige niveau, is waar je naar moet kijken als je durft te vergelijken.

En dan is er voormalig Oranje-international Merel van Dongen, die dit jaar het WK Mixed Zone tafelgesprek van de NOS nog kritischer maakte (NPO Start, 2026, 00:14:07), in directe reactie op analist Pierre van Hooijdonk. Die had bij de NOS aan tafel laten doorschemeren dat spelers een vrouwelijk bondscoach niet zouden accepteren. Van Dongen noemde dat wereldbeeld ronduit gedateerd, en zette er zelf een nuchtere observatie tegenover: fysiek is er verschil, ze ze eerlijk–‘‘vrouwen springen niet zo hoog, rennen niet zo snel, schieten de bal niet zo hard.’’ Maar tactisch stonden de strategische besprekingen van het Nederlands vrouwenelftal voor haar op precies hetzelfde niveau als mannenteams.
Rapper Kevin de Gier, beter bekend onder de artiestennaam Kevin of Slowflowanimal, die ook aan tafel zat, onderbrak haar meteen. Niet met een correctie, maar met een vraag. ‘‘Heb je dat meegemaakt?’’ Met “dat” verwees hij naar haar ervaring met tactisch bespreken van het Nederlands team van hoog niveau. Onschuldig, op het eerste gezicht. Maar het is een impliciete en dus verkapte ‘‘ja, maar’’: geen instemming, maar een verificatieverzoek. Alsof Van Dongen’s ervaring eerst bewijs nodig heeft voordat het telt. Van Dongen antwoordde droog: ‘‘Ja.’’
De Gier was het overigens verder gewoon erg met haar eens–net als veel andere mannen en vrouwen in Nederland–dus toch nog wat hulde voor hem! Dat betekent niet dat een expliciete ja-maar uit bleef, want die kwam al een paar seconden later, van actrice Wiam, die ook te gast was: Ja, maar is de sfeer in de kleedkamer niet anders bij mannen? Ja, maar reageren mannen niet makkelijker op het gezag van andere mannen? Ja, maar…
Niet onbelangrijk; Van Dongen was er zelf al van overtuigd dat Wiegman de taak nooit op zich zal nemen. Des te gelukkiger dat we inmiddels een coach gevonden hebben. Een man welteverstaan en dat is helemaal prima. Xavi Hernández heeft vast zijn eigen unieke kwaliteiten, anders had de KNVB hem niet aangesteld. En fijn voor hem: hij hoeft alleen te bewijzen wat híj kan en niet wat álle mannen kunnen.
Maar goed, we dwalen af. Want klonk het nou echt zo raar? Vrouwen, die een ongelooflijke strijdlust hebben moeten tonen–en vaak nog steeds tonen–om überhaupt te mogen en kunnen voetballen. Die zich niet altijd–en soms wél, maar niet altijd–fysiek met mannen kunnen meten. Dat juist zij tactisch goed ontwikkeld zijn?
Dat is het verschil tussen een eerlijke vergelijking en een ‘‘ja, maar.’’ De een zet het hele plaatje neer en laat je zelf concluderen. De ander pikt er één cijfer, één feit uit, en verzwijgt alles wat die cijfers en feiten verklaart.
Wellicht was dat bordje naast de lerarenkamer dan toch niet zo overbodig als ik als kind dacht. Niet omdat ‘‘ja, maar’’ per se fout is–je mag het best ergens niet mee eens zijn. Maar niet in dezelfde adem. Niet als reflex, ingebouwd in het compliment zelf, klaar om af te gaan zodra het nodig is. Wel doordacht. Wel als eigen, losstaande gedachte, die je durft uit te spreken zonder hem eerst te verstoppen als schijnbare instemming.
Maar tegenwoordig draai ik hem trouwens sowieso liever om.
De wereld is niet altijd even eerlijk geweest tegenover de vrouw. Maar, ja… ze staan er wel.
Geciteerde Werken
De Jong, N. (2017, 9 Aug.). Vrouwenvoetbal vergelijken met mannelijke evenknie, graag zelfs. Algemeen Dagblad. www.ad.nl
Gilligan, C. (1982). In a different voice: Psychological theory and women’s development. Cambridge; Harvard University Press.
Moi, T. (1985). Sexual/Textual Politics. London; Methuen & Co. Ltd.
NPO Start. (2026, 23 juni). WK Mixed Zone [Heeft Wiegman wel zin in Oranje?]. NPO Start. www.npostart.nl
Noa de Kievit volgt momenteel de Research Master Literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. In haar onderzoek richt zij zich op de manier waarop literatuur affect, lichamelijkheid en relationaliteit inzet om sociale verandering te verbeelden. Ze onderzoekt hoe literaire teksten ruimte creëren voor de verbeelding van solidariteit, handelingsvermogen en verzet binnen uiteenlopende sociale en geografische contexten. Daarbij heeft ze bijzondere interesse in feministische methodologieën, gender- en klassenongelijkheid en de manier waarop kennis wordt geproduceerd en verspreid.
Noa de Kievit is currently pursuing a research master’s in Literary Studies at the University of Amsterdam, where her work explores how literature engages affect, embodiment, and relationality to imagine social transformation. Her research examines the ways texts create possibilities for imagining solidarity, agency, and resistance across diverse social and geographical contexts. She has a particular interest in feminist methodologies, gender- and class-based inequalities, and the practice of knowledge production and dissemination.