Wilhelmina van Hasselt-Mundt: Moeder van Papoewa?

Door Özden Coșgun, Morgan van den Reydt en Kirsten van Kempen

Op Sulawesi staat een grafsteen, opgericht door de Utrechtsche Zendingsvereeniging (UZV) in 1907 voor de ‘Moeder van Papoewa’: Wilhelmina van Hasselt-Mundt. In Europa probeerden vrouwen macht te krijgen door zich in hun maatschappelijke activiteiten als zorgzame moeders te profileren. Hetzelfde geldt voor activiteiten in de koloniën, aldus de historica Margaret Jacobs. Dit artikel toetst de motieven en praktijken van Wilhelmina van Hasselt-Mundt aan de bovengenoemde vorm van maternalisme op basis van brieven die zij tussen 1885 en 1906 aan de vrouwenhulpvereniging van de UZV schreef.

Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw was de Utrechtsche Zendingsvereeniging (UZV) actief in het noorden van Nederlands-Nieuw-Guinea, het huidige Papoea. De UZV was een protestantse organisatie die het Evangelie bracht naar de verre inwoners van het Nederlandse Rijk.

Het contact leggen met de Papoea-bevolking ging voor de zendelingen niet moeiteloos. De verschillen waren immens, en ook al leerden de zendelingen vrij snel de lokale taal, het onbegrip over en weer was enorm. Een van de manieren waarmee ze dit probeerden te overbruggen was door het opkopen van tot slaaf gemaakte inheemse mensen. Hierbij ging het voornamelijk om kinderen. Het onderstaande citaat uit de brieven van Wilhelmina van Hasselt-Mundt laat deze praktijk zien:

“Daar ik nu gaarne het kind hebben wilde, gaf ik het aanbeeld [sic] met eene nog kleine som erbij (…) wij noemden het kleine meisje daarom Bertha, zij is omtrent 6 jaar oud.”

Dit ‘vrij’ kopen van slaven werd als liefdadigheid gezien, maar bood zendelingen naast contact met de Papoea-bevolking ook een van de weinige mogelijkheden Papoea’s te bekeren. De vrijgekochte kinderen werden verwijderd uit hun oorspronkelijke leefwereld en onderdeel van het ‘pleeggezin’ van de zendelingen. Ze werden gedoopt, kregen een christelijke naam en genoten onderwijs samen met lokale Papoea-kinderen. Bovendien werden ze ingezet bij werkzaamheden zoals bouwen, land bewerken en huishoudelijke taken.

Afbeelding 1
Mevrouw Van Hasselt-Mundt aan de linkerkant met waarschijnlijk een pleegkind op schoot. Haar man J.L. Van Hasselt en vermoedelijk haar dochter Martha zitten rechts naast haar.

Wilhelmina van Hasselt-Mundt (1845-1907) was vanaf 1872 actief in Nederlands-Nieuw-Guinea. Van Hasselt-Mundt hertrouwde, na een eerder huwelijk met de zendeling C. F. F. Mosche, met Johannes Lodewijk van Hasselt, een Nederlandse zendeling van de UZV. Historica Iris Busschers heeft in haar onderzoek naar vrouwen in de zending laten zien dat zij binnen de UZV niet tot zendeling mochten worden opgeleid. De enige manier voor hen om binnen de vereniging actief te zijn, was als echtgenote van een zendeling. Van Hasselt-Mundt hield zich bezig met huishoudelijke taken en liturgisch onderwijs op de zendingspost in Mansinam, een eiland aan de noordkust van Nederlands-Nieuw-Guinea. Zij was ook betrokken bij het ‘vrijkopen’ van mensen. Haar echtgenoot kon door verschillende chronische kwalen zijn taken dikwijls niet uitvoeren, waardoor zij deze regelmatig overnam om de zendingspost draaiende te houden. Ze schreef veel brieven over haar werk aan de vrouwenhulpvereniging van de UZV, een groep vrouwen in Nederland die de zending in Nederlands-Nieuw-Guinea ondersteunden door geld en goederen toe te sturen. Voorname en adellijke families hadden een grote invloed in deze vereniging.

In de negentiende eeuw probeerden westerse burgervrouwen met de retoriek van een ‘moederrol’ politieke zeggenschap te verkrijgen en te verdedigen. Ze beschreven hun maatschappelijke activiteiten als een vorm van moederschap. In de mannelijke publieke sfeer creëerden ze een positie waarvan zij geloofden dat mannen deze niet konden innemen. Door de ‘vrouwelijke’ werkzaamheden die moeders in de private sfeer hadden te benadrukken, beargumenteerden deze vrouwen dat de natie ook moeders nodig had. Historici zoals Francisca de Haan en Annemiek van Drenth zagen dit maternalistische feminisme vooral binnen een Europese context, maar al gauw onderkenden onderzoekers, waaronder Margaret Jacobs, de koloniale dimensies ervan.

Moeder in naam van de Heer

In hoeverre is deze vorm van maternalisme terug te vinden in de motieven en praktijken van Van Hasselt-Mundt? Naar aanleiding van de inscriptie op haar grafsteen lijkt het aannemelijk dat Wilhelmina van Hasselt-Mundt veel waarde hechtte aan een rol als ‘moeder’ voor de inheemse bevolking. De UZV profileerde Van Hasselt-Mundt ook op deze manier. Ze wordt in het tijdschrift van de vereniging, ‘Berigten der Utrechtsche Zendingsvereeniging’, aangeduid als ‘moeder’ van alle Papoea’s in het gebied. Dit gold zowel voor christenen als ‘heidenen’.

Afbeelding 2
Mevrouw Van Hasselt-Mundt is de tweede oudere vrouw van rechts. De man in het zwart is haar echtgenoot J.L. Van Hasselt, daarnaast zit hun schoondochter Wilhelmina van Hasselt-Coops.

Deze ‘moederrol’ komt ook naar voren in de brieven die Van Hasselt-Mundt schreef, maar dan op een andere manier dan in het tijdschrift. Ze beschrijft zichzelf alleen als moeder ten opzichte van de christelijke kinderen in Mansinam. In onderstaand citaat sprak zij tot Louisje, een christelijk Papoeameisje:

“Ik nam haar op mijn schoot, drukte haar innig aan mijn hart, en kuste en omhelsde haar, zeggende: “Ik heb je lief, Louisje, en wil zoo gaarne voor je eene moeder zijn.”

Met deze troostende woorden profileerde zij zich als moeder voor een kind dat niet haar eigen was. Vrijgekochte Papoea’s en schoolgaande dorpskinderen noemde zij ‘haar kinderen’, ‘mijne meisjes’ en ‘haar Papoease’ naargelang ze voldeden aan haar christelijke eisen. Van Hasselt-Mundt schreef echter niet over zichzelf als moeder voor de ‘heidense’ Papoea’s. Zij zette zich in haar schrijven over deze groep vooral neer als ‘dienares van de Heer’. Alles wat zij deed voor de inheemse bevolking stond voor haar in het teken van het geloof. Door het Evangelie te verspreiden, geloofde Van Hasselt-Mundt dat ze de Heer een gunst bewees. Haar ‘moederrol’ is niet geheel afwezig in haar brieven, maar leek op de tweede plaats te komen.

“Moge de Heer mij troosten, en mij helpen, dat ik mijne papoesche kinderen van ganschen harte moge liefhebben!”

Hieruit spreekt ook enige moeite om van de Papoeakinderen te houden. Zij zag deze rol niet als een gegeven, maar als iets waar ze zich toe moest zetten en waar God haar bij moest helpen. Haar religieuze beweegredenen leken daarentegen vanzelfsprekender, zoals blijkt uit het bovenstaande citaat. Dat wil niet zeggen dat haar rol als ‘dienares van de Heer’ haar rol als ‘moeder’ uitsloot.

Drukke huismoeder

Bekering van de niet-christelijke bevolking stond centraal in het werk van Van Hasselt-Mundt. Achter alle taken die zij hiertoe vervulde, stak een christelijk ideaal. Gedurende haar tijd op de zendingspost in Mansinam hield zij zich bezig met het verzorgen van zieken, verrichte ze huishoudelijk werk en bezocht ze christenen. Daarnaast onderrichtte ze de Papoea’s over het Evangelie en leerde ze hen vaardigheden als naaien en zingen. Ze richtte zich in haar activiteiten zowel op kinderen als op volwassenen. Wanneer zij haar handelingen beschreef, kwam in haar retoriek dikwijls een aspect van moederschap naar voren:

“Ik vond natuurlijk overvloedig werk bij mijne thuiskomst. Na zulk eene lange afwezigheid der huismoeder geeft het heel wat te doen.”

Van Hasselt-Mundt beschrijft zichzelf als een ‘huismoeder’ in de uitvoering van haar bezigheden. Naast deze, in de negentiende eeuw als ‘vrouwelijk’ geziene, activiteiten nam zij ook taken van haar man Johannes Lodewijk over. Vanwege zijn chronische kwalen gaf hij regelmatig taken, met uitzondering van liturgische werkzaamheden, door aan zijn vrouw. Van Hasselt-Mundt maakte onder meer een lange reis zonder haar echtgenoot.

“Ik mocht nog ruim 2 maanden langer dan mijn man met mijn lief kind samen zijn, daar met allgemeene stemmen besloten werd, dat ik in plaats van v. Hasselt onzen Berthus naar Soerabaja brengen moest, …”

Van Hasselt-Mundt moest bij haar eigen kind Berthus blijven tijdens de reis naar Soerabaja. Zij benadrukte deze rol om te legitimeren dat zij bepaalde gendernormen overschreed. Ook in de volgende situatie werden dergelijke normen overschreden:

“Nu vroeg hij [inheemse christen en leerling Jonathan, red.] mij, om hem de verdeling van zulken bouwplan te zeggen, en dit hebben we nu gisteren avond op ons fondament van ‘t oude huis probeert, om hem te leeren. Ik ben maar eene vrouw, al kunnen wij ook niet alleen een huis zetten, de goede Jonathan doet zijn best!”

Van Hasselt-Mundt geeft hier zelf aan dat zij ‘maar eene vrouw’ is. Desondanks hielp ze Jonathan bij het maken van een bouwplan, omdat haar echtgenoot ziek was. In Nederland werd dit eerder gezien als een mannentaak.

Schakels van maternalisme

Margaret Jacobs en Van Drenth en de Haan bedoelen met maternalisme het inzetten van de retoriek van een ‘moederrol’ als legitimatie voor het verrichten van maatschappelijke activiteiten. Dit stelde hen op den duur in staat politieke zeggenschap te verkrijgen. Bij Van Hasselt-Mundt is deze theorie niet terug te zien. Zij was in eerste plaats een christen en gebruikte dát als legitimatie voor haar handelen ten opzichte van de Papoea’s. Dit betekent niet dat haar ‘moederrol’ betekenisloos was omdat zij deze zag als onderdeel van haar rol als zendingsvrouw. Dit moederlijke presenteerde ze echter niet als vanzelfsprekend, wat bij maternalisme wel het geval is. Wellicht had de UZV wel dergelijke motieven bij haar benoeming als ‘Moeder van Papoewa’, maar dit is niet zeker.

Afbeelding 3
Haar grafsteen op het eiland Sulawesi, toenmalig Celebes.

De expliciete motieven van Van Hasselt-Mundt werden beïnvloed door de vrouwenhulpvereniging die ze aanschreef en haar praktijken werden beïnvloed door de mogelijkheden in haar directe omgeving. Het verschil tussen hoe Van Hasselt-Mundt zichzelf profileerde en hoe anderen dat deden, is opvallend en anders dan verwacht. Het lijkt er op dat de activiteiten van Van Hasselt-Mundt vooral in het zendingstijdschrift als ‘moederlijk’ worden betiteld.

De vrouwenhulpvereniging van de UZV had veel adellijke leden, waaronder vrouwen uit de familie Van Hogendorp. Vrouwen uit die familie waren van grote invloed op de Nederlandse vrouwenbeweging in de late negentiende eeuw. Via de vrouwenhulpvereniging van de UZV in Den Haag is dus een link te leggen naar het maternalistische feminisme in Nederland dat De Haan en Van Drenth beschrijven. De verhalen van Van Hasselt-Mundt zouden door de familie Van Hogendorp deel kunnen zijn gemaakt van een Nederlands maternalisme. Feministen konden bijvoorbeeld met UZV-artikelen over Van Hasselt-Mundt benadrukken dat vrouwen, vanwege hun ‘moederlijke aard’, belangrijke taken konden vervullen in de Nederlandse maatschappij. Daarom kan worden geconcludeerd dat het maternalisme hier geschakeld vorm krijgt: vrouwelijke zendingspraktijken in Mansinam worden in Nederland vertaald naar moederschap en kunnen uiteindelijk ingezet worden voor feministische doeleinden.

 Özden Coșgun, Morgan van den Reydt en Kirsten van Kempen zijn derdejaars studenten Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Dit artikel is een bewerking van hun paper voor de cursus ‘Save the Children? Beschavingsstrategieën in Papoea Nieuw Guinea, 1850-1940’.

Referenties
  • Busschers, I. (2015). Gendered remembrance: women in the Dutch calvinist mission and its historiography, 1900-1942. Trajecta: religie, cultuur en samenleving in de Nederlanden, 24, nr. 1, 285-308.
  • Drenth, A. Van en Haan, F. De (1999). The rise of caring power: Elizabeth Fry and Josephine Butler in Britain and the Netherlands. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • Jacobs, M. D. (2005). Maternal Colonialism: White Women and Indigenous Child Removal in the American West and Australia, 1880-1940. Western Historical Quarterly, 36, nr. 4, 453-476.
  • Het Utrechts Archief, Raad voor de Zending: Rechtsvoorgangers (1102-1), inv. Nr. 2200.